Inleiding
In het debat over euthanasie bij psychisch lijden als gevolg van een ernstige psychische of psychiatrische aandoening circuleren een aantal hardnekkige vanzelfsprekendheden. Ze worden doorgaans gepresenteerd als humane inzichten en als evidenties die het ongemak dat deze praktijk onvermijdelijk oproept moeten neutraliseren. Het gaat om formules die zo vaak herhaald zijn dat ze hun statuut van veronderstelling hebben verloren en daardoor vaak als onbetwijfelbare waarheden gaan functioneren. Precies daarin schuilt hun problematisch karakter. Ze verhullen meer dan ze verhelderen en verhinderen een ernstige reflectie over wat er in de klinische praktijk werkelijk op het spel staat.
In dit artikel bespreek ik vier van deze argumenten. Niet om ze polemisch te ontmaskeren, maar om te laten zien hoe ze volgens mij het denken vernauwen en de klinische complexiteit reduceren. Elk argument functioneert als een soort afsluitmechanisme: het sluit vragen af die eigenlijk opengehouden zouden moeten worden. Het zijn geen onschuldige misverstanden, maar discursieve knopen waarin ethiek, kliniek en ideologie op een ongemakkelijke manier samenkomen. In mijn boek Dood op verzoek: bestaat de psychiatrie nog wanneer ze euthanasie toelaat? heb ik deze argumenten vanuit nog een andere invalshoek besproken en ben ik ook uitgebreider ingegaan op de context waarin het euthanasie als discours vorm kreeg (Geldhof, 2021). Hier beperk ik mij ertoe enkel deze terugkerende argumenten onder de loep te nemen om van daaruit een ander ethisch kader te formuleren dat volgens mij veel meer recht doet aan de kliniek.
Ik wil benadrukken dat mijn redenering enkel opgaat voor euthanasie bij psychisch lijden als gevolg van een ernstige psychische of psychiatrische aandoening. Fysiek lijden betreft een volstrekt andere logica en daar wens ik hier dan ook geen uitspraken over te doen.
